De Wonen Eerst-aanpak richt zich vooral op individuele woningen in de wijk, maar sommige mensen kunnen, willen of mogen niet zelfstandig wonen. Max Huber onderzoekt daarom samen met Dieke van Ewijk en collega’s hoe ook in die situatie een thuis gecreëerd kan worden, want deze subgroep valt nu vaak buiten de boot in beleidsplannen.

Beeld: © Het Beelddepot / Valeria

Verkennen van woonvormen

Het afgelopen half jaar inventariseerden Huber en Van Ewijk welke bijzondere woonvormen nodig zijn én welke goede voorbeelden er al bestaan. “Dat zijn er heel veel”, vertelt hij. “Want door het hele land wonen ongeveer 50.000 mensen in dit soort plekken. Wij zijn specifiek geïnteresseerd in plekken die succesvol zijn of lijken te zijn in het bieden van passende huisvesting voor mensen die niet zo makkelijk een passende plek vinden.” Die mensen leven nu op straat, verblijven in de maatschappelijke opvang, zitten in detentie of in klinieken.

Op basis van de verkenning onderzoeken ze vervolgens meerdere initiatieven samen met mensen met ervaringskennis: hoe is het om daar te leven en werken? Daarbij wordt gekeken naar het contact tussen bewoners, begeleiding, fysieke inrichting, beleidsinbedding en randvoorwaarden. “Wij varen echt op de mening van mensen die er in de praktijk mee te maken hebben”, legt Huber uit.

Wat gaat er nu mis?

Een eerste conclusie uit de inventarisatie is dat de toegang tot bijzondere woonvormen voor mensen met complexe problemen lastig is. Volgens de onderzoeker wordt er veel te vaak gefocust op specifieke criteria waarom iemand er niet zou passen, in plaats van te kijken naar waar deze persoon uiteindelijk het best tot zijn of haar recht zou komen.

Daarnaast is er behoefte aan meer plekken waar mensen in kleine groepen kunnen samenleven en waar vaste professionals werken die de cliënten goed kennen. Want veel voorzieningen zijn volgens Huber ‘best groot’. “Het zijn soms plekken waar mensen met 25 man samenleven, soms wel met 50. Dat is juist voor mensen met echt complexe problemen heel zwaar.”

Een derde conclusie is dat er voor een aantal groepen stelselmatig geen passend aanbod is. Het gaat dan om mensen met complexe psychiatrische problemen die daarnaast ook een beperking hebben in het cognitief functioneren of somatische klachten.

Ten slotte, lopen gemeenten erg uiteen in of er een geschikt aanbod is voor mensen met een verslaving. Het kan daardoor lastig zijn om een passende plek te vinden voor iemand die middelen gebruikt.

Hoe gaat dit onderzoek helpen?

Op basis van de verkenning hebben de onderzoekers nu 10 plekken uitgekozen waarvan ze verwachten iets te kunnen leren. Daar wordt onderzoek gedaan. Daarna worden er – met behulp van de resultaten – handreikingen geschreven voor bijvoorbeeld gemeenten, zorgorganisaties en zorgkantoren. Zo kunnen die partijen aan de slag met het ontwikkelen van passende huisvesting zonder dat ze zelf het wiel opnieuw hoeven uit te vinden. Uiteindelijk zal de kwaliteit van die huisvesting daarmee omhoog gaan en zullen mensen die niet zelfstandig kunnen wonen ook een thuis vinden.