In Haarlem begon Wonen Eerst met tien dakloze huishoudens die versneld een woning met ondersteuning kregen. De ervaringen waren zo positief dat de aanpak werd uitgebreid. Inmiddels is Wonen Eerst onderdeel van het Regionaal Actieplan Dakloosheid en doen alle gemeenten in Zuid-Kennemerland, Haarlemmermeer en de IJmond mee. In 2026 en 2027 stellen zij samen 70 woningen beschikbaar voor huishoudens die dakloos zijn of dreigen te worden. Wethouder Diana van Loenen en kwartiermaker Martin Kok vertellen wat nodig is om zo’n verandering van de grond te krijgen.

Beeld: Mariel Kolmschot
Diana van Loenen
Eerst een huis in plaats van wachten in de opvang
De aanleiding voor Wonen Eerst in Haarlem was simpel, vertelt Diana. “Mensen verbleven te lang in de maatschappelijke opvang.” Daar kregen ze eerst zorg en begeleiding. Pas na een lang traject, werd een woning gezocht. “Maar dat kon soms jaren duren”, vervolgt de wethouder. “Ondertussen verslechterde hun situatie.” Haarlem besloot daarom de volgorde om te draaien: zo snel mogelijk een woning, met de ondersteuning die iemand nodig heeft.
Gewoon beginnen
Als je met Wonen Eerst wil beginnen, is een goede voorbereiding belangrijk. In Haarlem zijn vooraf duidelijke samenwerkingsafspraken gemaakt. Dat droeg bij aan een goed verloop en hielp om gemaakte keuzes goed te kunnen uitleggen. Tegelijkertijd hoef je volgens Martin niet ieder detail vooraf uit te werken. “Mijn belangrijkste les is: ga van praktijk naar beleid en niet andersom. Begin gewoon en kijk daarna wat je moet aanpassen.”
Ook Diana benadrukt het belang van leren in de praktijk. Haarlem noemde de eerste tien woningen bewust geen ‘pilot’. Ze vormden het begin van een aanpak die verder moest groeien. “Het is veel meer een verandering in denken en aanpak dan dat je ‘zomaar’ een keer iets probeert.”
"“Mijn belangrijkste les is: ga van praktijk naar beleid, niet andersom.” - Martin Kok"
Vertrouwen opbouwen
De ervaringen in Haarlem hielpen om vertrouwen op te bouwen. De bewoners van de eerste tien woningen vonden hun plek in de wijk en hadden goed contact met hun buren. Vaak kon de gemeente zelfs een verblijf in de maatschappelijke opvang voorkomen. Als duidelijk was dat er binnen een paar maanden een woning kwam, konden mensen die periode geregeld overbruggen bij bijvoorbeeld familie of vrienden.
Dat vertrouwen was voor alle partijen belangrijk. “Als je het woord dakloosheid noemt, ontstaat al snel een beeld van overlast, verslaving of psychiatrische problemen”, zegt Martin. Maar dat beeld past volgens hem niet bij de meeste huishoudens die via Wonen Eerst worden gehuisvest. Toen regiogemeenten en andere partijen zagen hoe Wonen Eerst in de praktijk werkt, veranderde dat beeld dan ook.
Ook duidelijke afspraken helpen. Als er toch iets speelt, moeten woningcorporaties weten bij wie ze terechtkunnen. “Je moet op elkaar kunnen vertrouwen”, zegt Diana. “Je moet weten wie je belt en wie ook echt de telefoon opneemt als er iets is.”
"“Je moet op elkaar kunnen vertrouwen.” - Diana van Loenen"

Martin Kok
Van elkaar leren
Om ook andere gemeenten en organisaties in de regio mee te krijgen, maakte Haarlem gebruik van praktijkervaringen. Daarbij hielpen niet alleen de goede resultaten in Haarlem zelf. Wethouders, bestuurders van woningcorporaties en andere betrokkenen gingen ook naar Den Bosch om te zien hoe Wonen Eerst daar werkte. “Het helpt gewoon om met elkaar te zien dat het lukt”, zegt Diana. “We zagen dat het in Den Bosch werkte en we hadden zelf goede ervaringen in Haarlem.”
Martin zorgde er ook voor dat betrokkenen van elkaar konden leren. Hij bracht woningcorporaties uit Haarlem in contact met corporaties uit de regio en liet professionals ervaringen uitwisselen. Minstens zo belangrijk zijn volgens hem de verhalen van dakloze mensen zelf. “Je kunt veel presentaties geven, maar het menselijke verhaal verandert het beeld.”
Van Haarlem naar de hele regio
De regionale uitbreiding was een logische volgende stap. Haarlem is een centrumgemeente en de maatschappelijke opvang voor de regio is in de stad gevestigd. De mensen die daar terechtkomen, komen echter uit de hele regio. “We zijn met z’n allen verantwoordelijk voor het aanpakken én voorkomen van dakloosheid”, zegt Diana. Die gezamenlijke verantwoordelijkheid kreeg vorm in het Regionaal Actieplan Dakloosheid. Inmiddels doen alle gemeenten mee. Wonen Eerst wordt in de regio bewust stap voor stap uitgebreid. Zo krijgen de betrokken partijen de tijd om ermee te leren werken.
Woningcorporaties zijn daarbij niet alleen leverancier van woningen, benadrukt Martin. Ze zitten ook aan de beoordelingstafel, waar wordt besproken welke huishoudens in aanmerking komen voor Wonen Eerst. Een woningcorporatie kan daar direct aangeven een huishouden te willen huisvesten. Volgens Martin zorgt dat voor betrokkenheid en verantwoordelijkheid én voor snelheid. Lang wachten op een woning past immers niet bij Wonen Eerst.
“We zijn met z’n allen verantwoordelijk voor het aanpakken én voorkomen van dakloosheid.” - Diana van Loenen
Nieuwe aanpak is een systeemverandering
De aanpak vraagt om meer dan een nieuwe werkwijze. Volgens Martin gaat het om een systeemverandering: van reageren als problemen groot zijn naar vroegtijdiger handelen om dakloosheid te voorkomen. Daarvoor heb je de juiste mensen nodig. Hij zoekt daarom bewust naar mensen die achter de aanpak staan én het mandaat hebben om besluiten te nemen.
Een externe kwartiermaker kan helpen om bestaande patronen te doorbreken. Maar die rol moet niet blijvend extern blijven. Martin adviseert om al snel iemand binnen de gemeente te laten meelopen die het later kan overnemen. In Haarlem nam een medewerker stap voor stap zijn rol over. Zo voorkom je dat na vertrek van de kwartiermaker oude werkwijzen terugkeren.
Ook bestuurlijk moet iemand voor de verandering gaan staan, zegt Diana. Zelf heeft ze zowel wonen als zorg en welzijn in haar portefeuille. Dat helpt om dakloosheid niet alleen als zorgprobleem, maar ook als woonvraagstuk te benaderen. Vanuit zorg en welzijn ben je verantwoordelijk voor de opvang, maar voor een structurele oplossing zijn ook woningen nodig.
Haar advies aan andere gemeenten is daarom: verdiep je in hoe de aanpak van dakloosheid in jouw regio is geregeld en zoek de samenwerking tussen wonen en zorg. Blijf ook het stigma rond dakloosheid bestrijden, bij inwoners, woningcorporaties én de gemeenteraad. Mensen kunnen bijvoorbeeld na een scheiding of andere ingrijpende gebeurtenissen dakloos raken. Ook gezinnen met kinderen komen in de opvang terecht. “Het zijn onze inwoners”, benadrukt Diana. “Daar zijn we met elkaar verantwoordelijk voor.”